A  A+ A++   Follow us on Twitter
 
banner

Ambulancezorg

De ambulancemedewerkers van ADZHZ verlenen ambulancezorg. Dit is de zorg die beroepsmatig wordt verleend om een patient binnen het kader van zijn aandoening of letsel hulp te verlenen en waar nodig adequaat te vervoeren of door te verwijzen naar een andere zorgverlener. De ambulancezorg wordt ter plaatse bij de patient verleend, in opdracht van de meldkamer ambulancezorg.

Klik voor een totaaloverzicht van de organisatie van ambulancezorg op deze link

Ambulancezorg kan onderverdeeld worden in drie categorieen:

1. Urgentie A1

2. Urgentie A2

3. Urgentie B

 

 

 

 

 

 

 

 Urgentie A1 wordt uitgegeven als er sprake is van gevaar voor het leven of voor blijvende invaliditeit (bijvoorbeeld pijn op de borst, ademhalingsmoeilijkheden of een hartstilstand). Er wordt dan met zwaailicht en sirene gereden zodat de ambulance voorrang heeft op andere weggebruikers. De ambulance moet binnen 15 minuten vanaf de melding op de meldkamer bij de patient aanwezig zijn.

Urgentie A2 wordt uitgegeven als er sprake is van niet-direct levensgevaar, maar er is wel snelle hulp nodig (bijvoorbeeld bij botbreuken, acute ontstekingen of ongevallen met beperkt letsel). Er wordt in principe niet met zwaailicht en sirene gereden en de ambulance moet binnen 30 minuten vanaf de melding op de meldkamer bij de patient aanwezig zijn.

Urgentie B wordt uitgegeven voor de overige ambulancezorg (bijvoorbeeld vervoer van patienten die voor onderzoeken of behandelingen naar het ziekenhuis moeten en liggend vervoerd moeten worden).

Nadat een ambulance op weg is gestuurd geeft de centralist de melder zonodig instructies. Die kunnen varieren van simpele adviezen tot uitleg over het toepassen van reanimatie. De centralist kan het ambulanceteam dat intussen onderweg is op een scherm volgen. Verpleegkundige en chauffeur proberen zo snel mogelijk ter plaatse te komen. Dat lukt niet altijd. Soms treedt vertraging op doordat bijvoorbeeld een melder moeilijk te verstaan is of niet weet waar hij of zij zich precies bevindt. Bij veel spoedgevallen tegelijkertijd kan het zijn dat een ambulance van verder weg moet komen. Ook kunnen slecht weer of grote verkeersdrukte een rol spelen.

Als de ambulancemedewerkers zijn aangekomen nemen ze snel de situatie van en rond de patient op. Die is iedere keer weer anders. ambulanceverpleegkundigen en chauffeurs behandelen patienten op straat, in restaurants, het ruim van een schip, op voetbalvelden of in een hagelbui. Ook is geen patient hetzelfde. Soms zijn mensen bewusteloos, hebben acute pijn of zijn in de war. Steeds weer gaat het erom op basis van uitvragen, lichamelijk onderzoek, metingen en observaties vast te stellen wat er aan de hand is en vervolgens methodisch, volgens de protocollen, te handelen. De patient wordt gestabiliseerd en klaar gemaakt voor vervoer. Soms wordt een patient niet mee genomen. Bijvoorbeeld als hij of zij bekend is met een aandoening (epilepsie, suikerziekte) en zelf weet wat er nodig is en thuis kan komen. In andere gevallen wordt wel eens om assistentie van een tweede ambulance of van de brandweer of de politie gevraagd.

Tijdens het vervoer van de patient blijft de verpleegkundige regelmatig controles uitvoeren van bijvoorbeeld de bloeddruk. De chauffeur doet het zwaailicht en de sirene aan als hij of zij zo snel mogelijk door het verkeer moet komen. Soms is het juist zaak zo voorzichtig mogelijk te rijden, bijvoorbeeld met een patient met rugletsel. In het ziekenhuis wordt de patient meestal overgedragen aan een arts of verpleegkundige van de Spoedeisende Hulp (SEH).

oefening-zederik-20336 oefening-zederik-20327

 

Ambulancedienst Zuid-Holland Zuid is powered by Triple Interactive